vrijdag 15 juni 2012

Emaille van Groningen (4)

De golven hebben nu echt de bruggen te pakken. Ze zijn nauwelijks meer te zien in een dikke deken opspattend schuim. De lantaarnpaal waar zopas nog de tas aan hing zwiept nu gevaarlijk heen en weer. Gebiologeerd kijkt hij naar de lamp die met het zwiepen aan en uit floept. En dan met een onhoorbare knal knapt de paal in tweeën.
 "Dát bedoel ik nu", schreeuwt de oude vrouw en gooit met een geraffineerd gebaar het touw los. "Vertrouw op mij."
Hij zwijgt en kijkt verlangend naar de wal. Hoewel de golven tot ruim over het wegdek komen... Ondanks het feit, dat sommige bomen dubbel buigen tot hun kronen de grond raken... Ofschoon vanaf zijn lage positie de vaste wal totaal onzichtbaar is geworden achter de dichte mist van schuim en water, verlangt hij immens. De oude vrouw schudt meewarig het hoofd. Ze stapt voorzichtig over hem heen tot in de punt van de boot. Tot zijn verbijstering lukt het haar nog steeds de omgekeerde pispot in de juiste positie op het hoofd te houden. Ze gaat zitten met haar gezicht naar hem toe. De horizont achter haar danst woest op en neer en heen en weer. Een golf van misselijkheid vult zijn slokdarm.
"Je mag wel wat doen! Straks slaan we te pletter."
De oude vrouw wijst dwingend op de twee roeispanen die pijnlijk in zijn rug drukken. Hoezo roeien!? Dit gaat hem te ver! Het ene moment sta je volledig in harmonie met natuur en cultuur te genieten van een ongekende storm in je geboortestad, het volgende moment word je door een rare kwibus van de wal hardhandig in de boot geholpen. Bekijk het maar! Hij wil zijn tas terug. Hij wil de wal terug. Hij wil zijn rust terug. Wat zeg je? Hij neemt terug wat van hem is! Hij komt overeind en wil een sprong naar de wal wagen... zo'n vier, vijf meter weg. Zes meter... zeven...
"Ik zou maar de roeispanen pakken, als je niet nog verder van huis wilt raken", klinkt het droog vanaf de punt van de boot. De oude vrouw heeft de pispot tussen haar voeten op de bodem gezet. Haar ogen zijn gesloten, het hoofd enigszins achterover. De wind heeft nu vrij spel in haar lange grijze haren. Als een fluctuerend aureool... nee, als de slangen van Medusa rukken ze aan haar hoofdhuid. Genietend trekt ze haar mondhoeken op bij elke nieuwe spatregenbui.
De boot is in middels in het midden van het kanaal beland. De draaiwinden hebben verloren van de harde rukwinden richting museumbrug. Hij duikt naar de spanen, slaat ze onhandig in hun bolders en rukt zo hard als hij kan het hout door het water. De oude vrouw geeft geen krimp, als de boot gevaarlijk overhelt en ter kennismaking een nieuwsgierige golf over de rand naar binnen stroomt. Hemeltjelief, wanneer heeft hij voor het laatst in roeiboot gezeten? In welke boot dan ook? Hij vecht met boot, spanen, wind en water alsof zijn leven er van af hangt. De boot slingert alle kanten op, maar zeker niet terug naar de veilige oever voor het station. Mee gaan met de stroom dan maar? Alleen een beetje bijsturen, dat ze niet tegen een dukdalf of een brugpijler aan knallen? Hij trekt de roeispanen in. De oude vrouw verstijft meteen. Ze spert haar ogen open en kijkt hem fonkelend aan. Ze zijn heel licht blauw, bijna grijs, met in beide ogen vlak naast de iris een intense felle bruine vlek.
"Doorgaan! Waag het niet op nu te stoppen. Hoe komen we ooit zo aan de overkant? Roeien! Roeien! Roeien! Werken voor de kost. Roeien!"
Hij roeit. Vanonder de halfgeloken leden houdt ze hem scherp in de gaten. De ontspannen uitdrukking op haar gezicht is verdwenen. Geraakt in zijn onafhankelijkheid wil hij er mee kappen. Hij weet alleen niet hoe. Hij roeit. Hij vecht. Hij spant al zijn spieren. Hij haalt. Hij trekt. Hij roeit. Zonder enig ritme. Opgejaagd door de storm. Half verdrinkend in opdringerige kanaalgolven. Hoe het hen is gelukt, weet hij niet, maar opeens slaan ze met een klap tegen de wal aan de centrumzijde van het kanaal. Ze breken tussen metershoge planten door en schuiven zo een paar meter door tot ze muurvast zitten in een diepe voor in het gras. Hij ziet sterretjes. Hij laat de roeispanen vallen en verbergt zijn gezicht in zijn handen.
"Goed gedaan, jochie. Zie je wel, met een beetje begeleiding is de jeugd wel in staat om iets te presteren. Kom. Opstaan! Van hieruit hebben we een prachtig uitzicht op het museumgebouw."
Hij kijkt tussen zijn vingers door. Het enige wat hij ziet zijn de woest bewegende bomen en struiken. Zo nu en dan slechts een glimp van geel en grijs en blauw.
"Het is wel goed", mompelt hij vermoeid.
"Kom maar",  antwoordt zij. "Je bent er wel aan toe om even bij te komen. Kom maar mee naar binnen."

Terug naar  Emaille van Groningen: inhoudsopgave



Geen opmerkingen:

Een reactie posten